2. We voelen ons verantwoordelijk voor elkaar: wanneer we zien dat iemand geholpen moet worden, steken we een hand uit en als we geholpen worden, nemen we de uitgestoken hand aan.
3. We gebruiken normale taal: soms valt iets goed tegen of zijn we boos, maar schelden en ander grof taalgebruik laten we achterwege.
4. We ruimen op: in een opgeruimde omgeving voel je je prettig. Daar werken we allemaal aan mee: gevraagd en ongevraagd.
5. We komen op tijd, hebben onze spullen bij ons en gaan er netjes mee om: dan loopt de les goed en gaat alles efficiënt. We waken over onze eigendommen en ook de spullen van school en onze medeleerlingen houden we in de gaten.