Interconfessionele Scholengemeenschap ‘Het Westland’
Opleiding voor HAVO en VWO te ‘s-Gravenzande
Leerlingenstatuut
1 ALGEMEEN
1.1 Leerlingenstatuut
1.1.1 Het leerlingenstatuut regelt de rechten en plichten van de leerlingen.
1.1.2 Het leerlingenstatuut wordt vastgesteld door de opleidingsdirectie. De opleidingsdirectie gaat niet tot vaststelling over voordat de opleidingsraad en/of de leerlingenraad zijn/hun instemming hebben gegeven.
1.1.3 Het leerlingenstatuut is van toepassing op alle aan de school ingeschreven leerlingen en geldt ten opzichte van de opleidingsdirectie en alle aan de opleiding verbonden organen en personeelsleden. Het leerlingenstatuut geldt in en buiten de schoolgebouwen en -terreinen, zowel onder schooltijd als daarbuiten en bij alle schoolse en buitenschoolse activiteiten, e.e.a. voorzover er relevantie is met de schoolsituatie.
1.1.4 Het leerlingenstatuut treedt in werking op een door de opleidingsdirectie te bepalen datum en heeft een geldigheidsduur van 3 jaar.
1.1.5 Het leerlingenstatuut kan tussentijds worden gewijzigd op voorstel van hetzij:
* de Opleidingsraad
* de Leerlingenraad
* 10 leerlingen
* 10 personeelsleden
* 10 ouders
* de Opleidingsdirectie
* de Centrale Directie
Een voorstel tot wijziging wordt aan de opleidingsdirectie aangeboden.
De opleidingsdirectie kan het gewijzigde leerlingenstatuut vaststellen nadat het al dan niet daartoe een voorstel heeft ontvangen.
1.1.6 Indien voor een maand voordat de geldigheidsduur van het leerlingenstatuut afloopt geen voorstel tot wijziging door de opleidingsdirectie is ontvangen, zal het leerlingenstatuut in dezelfde vorm wederom 3 jaar geldig zijn, tenzij de opleidingsdirectie het leerlingenstatuut tussentijds wijzigt, zoals omschreven in punt 1.1.5.
1.1.7 Het leerlingenstatuut wordt door de schoolleiding gepubliceerd en bij aanvang van het schooljaar aan alle leerlingen die voor de eerste maal aan de school zijn ingeschreven, uitgereikt.
Het leerlingenstatuut ligt voorts ter inzage op de school.
1.2 Begrippen
In het leerlingenstatuut wordt onder de volgende begrippen verstaan:
· De school: Interconfessionele Scholengemeenschap ‘Het Westland’
Opleiding voor HAVO en VWO te ’s-Gravenzande en Monster (Madeweg). $
Leerlingen: alle aan de school ingeschreven leerlingen.
· Ouders: de ouders, voogden en verzorgers van de leerlingen.
· Personeelsleden: de aan de school verbonden leraren en andere personeelsleden met een niet- lesgevende taak.
· Docenten: de aan de school verbonden leraren en andere personeelsleden met een lesgevende taak.
· Schoolleiding: opleidingsdirecteur/plaatsvervangend opleidingsdirecteur dan wel locatiedirecteuren.
· Locatiedirecteuren: het directielid dat een afdeling of locatie leidt.
· Schoolbestuur: de Centrale Directie, gemandateerd door het Plaatselijk Bestuur.
· Opleidingsraad: het orgaan binnen de school ten behoeve van overleg.
· Leerlingenraad: het vertegenwoordigend orgaan van de leerlingen binnen de school.
· Klassenvertegenwoordiger: leerling die zijn klas of groep vertegenwoordigt.
· Schoolreglement: samenstel van regels over de rechten en plichten van de personen (uitgesplitst in een Docenten- en Leerlingen Reglement)
· en organen die deel uitmaken van de scholengemeenschap.
· Inspecteur: de inspecteur van het voortgezet onderwijs.
· Geschillencommissie: de commissie die adviseert over geschillen betreffende de toepassing van het leerlingenstatuut.
· Orgaan: de volgende groeperingen binnen de school: personeel, leerlingen en ouders.
(In dit leerlingenstatuut wordt ten behoeve van de leesbaarheid alleen in de mannelijke
vorm geschreven. Daar waar mannelijke voornaamwoorden worden gebruikt kunnen ook vrouwelijke worden gelezen.)
1.3 Rechten en plichten in algemene zin
1.3.1 De leerlingen, en indien deze minderjarig zijn hun ouders, genieten de rechten en
zijn gehouden aan de plichten die voortvloeien uit de onderwijsovereenkomst, die met de opleidingsdirectie is gesloten.
1.3.2 De leerlingen houden in hun gedrag en uitlatingen rekening met de grondslag en doelstelling van de school.
1.3.3 De leerlingen en personeelsleden hebben ten opzichte van elkaar de plicht te zorgen voor een werkbare situatie, waarin goed onderwijs kan worden gevolgd en gegeven in een passende sfeer.
1.3.4 De leerlingen zijn verplicht zich te houden aan de regels die gelden in de school.
Evenzo hebben zij het recht personeelsleden te houden aan de regels voorzover deze gelden voor personeelsleden in de school.
1.3.5 De leerlingen en personeelsleden zijn respect verschuldigd aan elkaar en aan alle andere personen in de school. Ook zijn zij respect verschuldigd aan alle goederen van elkaar en alle andere goederen in de school.
2 TOELATING
2.1 De opleidingsdirectie stelt de criteria vast op grond waarvan een (aspirant-)leerling kan worden toegelaten tot de school, tot een bepaalde schoolafdeling of tot een bepaald leerjaar.
2.2 Indien de opleidingsdirectie weigert een (aspirant-)leerling toe te laten deelt zij dit aan hem, en indien hij minderjarig is ook aan zijn ouders, mee, met opgave van redenen.
Voorts geeft de opleidingsdirectie daarbij aan dat er om herziening van het besluit kan worden gevraagd.
2.3 De (aspirant-)leerling, en indien hij minderjarig is ook zijn ouders, kan binnen 30 dagen nadat de weigering tot toelating is ontvangen, de opleidingsdirectie om herziening van dit besluit vragen.
De opleidingsdirectie stelt de leerling, en indien hij minderjarig is ook zijn ouders, in de gelegenheid zich over de kwestie uit te spreken.
Voorts voert de opleidingsdirectie overleg met de inspecteur hierover en - als de Centrale Directie dat nodig vindt - met andere deskundigen
De opleidingsdirectie stelt de leerling, en indien hij minderjarig is ook zijn ouders, in de gelegenheid om de adviezen of rapporten die op de beslissing op verzoek tot herziening betrekking hebben, in te zien. De opleidingsdirectie beslist zo spoedig mogelijk op het verzoek, maar niet later dan 30 dagen na ontvangst ervan.
3 KWALITEIT VAN HET ONDERWIJS
3.1 De leerlingen hebben recht op het volgen van goed onderwijs en een passende begeleiding. Indien een leerling meent dat het onderwijs onvoldoende kwaliteit heeft, kan hij dit gemotiveerd kenbaar maken aan de schoolleiding.
3.2 Leerlingen hebben in gelijke situaties recht op een gelijke behandeling.
3.3 Indien aan de school onderwijs wordt gegeven volgens een schoolwerkplan, heeft de leerling als hij dat wil, recht om het schoolwerkplan in te zien.
4 DAGELIJKSE GANG VAN ZAKEN
4.1 Aanwezigheid
4.1.1 De leerlingen zijn verplicht de lessen te volgen volgens het voor hen geldende rooster, tenzij er voor een bepaalde les een andere regeling is getroffen. Zij dienen voor het volgen van de lessen op tijd in de daartoe bestemde lesruimte aanwezig te zijn.
4.1.2 De leerling die te laat aanwezig is, dient bij de conciërge zich als “te laat” te laten registreren en daartoe van de administratief medewerker een briefje te ontvangen.
Indien een leerling te laat is, kan de leerjaarcoordinator hem zonodig een passende maatregel opleggen.
4.1.3 Indien de docent bij aanvang van de les niet aanwezig is, vraagt de klassenvertegenwoordiger bij de locatiedirecteur of de les doorgaat. De leerlingen blijven aanwezig totdat hen door of namens de locatiedirecteur anders wordt aangegeven.
4.1.4 Tijdens de pauzes en de roostervrije uren mogen de leerlingen alleen in de daartoe bestemde ruimten op school verblijven.
4.1.5 Een leerling heeft alleen verlof om de lessen te verzuimen indien de locatiedirecteur dit op verzoek van de leerling, of indien hij minderjarig is, van de ouders, heeft toegestaan..
4.1.6 Indien een leerling ziek is, wordt dit voor aanvang van de les, doch uiterlijk tussen 08.00 en 09,00 uur telefonisch aan de administratie gemeld. Bij terugkeer wordt een briefje door de ouders getekend ingeleverd bij de mentor/mentrix.
4.1.7. Indien een leerling anders dan met verlof of wegens ziekte lessen verzuimt of afwezig is terwijl hij aanwezig dient te zijn, kan de locatiedirecteur een passende maatregel opleggen.
4.1.8 Indien een leerling afwezig is geweest, moet hij - in samenspraak met de docent – zelf zorgen voor het inhalen van de opgelopen achterstand tenzij daar door de locatiedirecteur andere afspraken over gemaakt zijn.
4.2 Gedrag
4.2.1 De leerlingen gedragen zich in en buiten school naar behoren.
4.2.2 Indien een leerling zich tijdens de les onbehoorlijk gedraagt kan de docent hem uit de les verwijderen. De leerling is dan verplicht zich te melden bij de locatiedirecteur of zijn/haar vervanger.
4.2.3 Leerlingen mogen op school niet roken, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan op plekken die in het leerlingreglement staan aangegeven.
4.2.4 De leerlingen mogen geen alcoholische dranken of verdovende middelen bij zich hebben of gebruiken.
De leerlingen mogen geen apparaten mee naar school nemen die de normale lesgang
kunnen verstoren.
4.3 Veiligheid
4.3.1 De leerlingen gedragen zich naar de gegeven voorschriften betreffende de veiligheid in school en overigens zodanig dat de veiligheid in de school zoveel mogelijk wordt gewaarborgd.
4.4 Schade
4.4.1 De opleidingsdirectie aanvaardt geen wettelijke aansprakelijkheid voor schade die buiten haar verantwoordelijkheid wordt toegebracht aan bezittingen van leerlingen.
De opleidingsdirectie aanvaardt ook geen wettelijke aansprakelijkheid voor het verlies van bezittingen van leerlingen die in of bij school, of tijdens schooltijd zijn zoekgeraakt.
4.4.2 Indien een leerling aan het schoolgebouw, aan de leermiddelen die zich daarin bevinden of aan onder het beheer van de opleidingsdirectie staande zaken schade toebrengt, dan wordt die schade hersteld op kosten van de leerling die verantwoordelijk is voor de aangebrachte schade of, indien deze minderjarig is, op kosten van zijn ouders.
4.4.3 Indien een minderjarige leerling voor enige schade verantwoordelijk is stelt de school de ouders daarvan in kennis.
4.4.4 De opleidingsdirectie kan voorschriften maken die de schade aan en verlies van bezittingen zoveel mogelijk voorkomen.
5 HUISWERK
5.1 Indien de opleidingsdirectie beleid heeft vastgesteld met betrekking tot het huiswerk, stelt het de leerling daarvan op de hoogte.
(Dit beleid is vastgelegd in ‘het evaluatiebeleid’. Het omvat afspraken voor docenten en leerlingen over: het maken van huiswerk, het opgeven van repetities, het evalueren en becijferen van repetities, hoe te handelen bij absentie, enz.)
5.2 De leerlingen zijn verplicht het opgegeven huiswerk te maken.
5.3 De gezamenlijke docenten van een klas of groep streven ernaar het huiswerk zodanig op te geven en te spreiden dat van een evenwichtige en reële belasting sprake is.
5.4 De leerling die het huiswerk niet heeft gemaakt meldt dit bij aanvang van de les aan de betreffende docent onder vermelding van de reden van verhindering. Indien deze reden naar het oordeel van de docent de leerling niet van zijn plicht tot het maken van het huiswerk ontslaat, kan de docent hem een maatregel opleggen.
5.5. In de bovenbouw (Tweede Fase) wordt gewerkt met studieplanners. De leerling moet aan het eind evan een studiepweriode de stof hebben afgewerkt volgens de studiewijzer.
6 TOETSING, BEOORDELING, RAPPORTAGE
I Onderstaande punten gelden voor de onderbouwklassen (leerjaar 1, 2 en 3).
6.1 Toetsing van de vordering van het onderwijs kan geschieden op de volgende wijzen:
* repetities
* mondelinge of schriftelijke overhoringen
* gesprekken of spreekbeurten n.a.v. gelezen boeken, werkstukken, e.d.
* practicum, turn- en spe(e)lopdrachten en werkstukken
* andere vormen van toetsing.
6.2 Van een cijfer dat het resultaat is van een af te nemen toets wordt van tevoren de wegingsfactor ten opzichte van andere vormen van toetsing kenbaar gemaakt.
6.3 Een repetitie wordt tenminste 1 week van tevoren opgegeven.
6.4 Een leerling hoeft niet meer dan 2 repetities per dag te maken met een maximum van 5 repetities per week.
6.5 Indien de omstandigheden, waaronder een toets wordt afgenomen, de leerling bij het maken van de toets hebben belemmerd, kan daarmee bij de beoordeling van deze toets rekening gehouden worden.
6.6 Een docent beoordeelt een afgenomen toets binnen 1 week nadat deze is afgenomen, tenzij er zich bijzondere omstandigheden voordoen.
De normen van de beoordeling worden door de docenten meegedeeld en zonodig
toegelicht.
6.7 Een leerling heeft recht op inzage in zijn toets, nadat deze is beoordeeld.
Indien een leerling het niet eens is met de beoordeling kan hij dit binnen 2 weken na inzage kenbaar maken aan de docent die de toets heeft afgenomen.
6.8 Indien een toets zich daartoe leent wordt deze na de beoordeling door de docent met de leerlingen besproken.
6.9 Indien een werkstuk meetelt voor een rapportcijfer dan dient van te voren bekend te zijn aan welke normen het moet voldoen, wanneer het gereed moet zijn en welke sancties er staan op het te laat of niet inleveren ervan.
6.10 De leerling krijgt een aantal malen per jaar een rapport.
Een rapport geeft de leerling een overzicht van zijn prestaties over een bepaalde periode.
6.11 Het cijfer op het eindrapport wordt (mede) bepaald door de cijfers van voorafgaande rapporten. Tevoren wordt de wegingsfactor van die rapporten bekend gemaakt.
6.12 Indien de studieresultaten van een leerling aanleiding geven tot het treffen van maatregelen, dienen deze vooraf met de leerlingen, en indien deze minderjarig is met zijn ouders, besproken te worden.
II Voor de bovenbouw leerjaren HAVO-4/5 en VWO-4/5/6 geldt programma van toetsing en afsluiting (PTA) wordt elk leerjaar voor 1 oktober van het betreffende leerjaar aan de leerlingen van de Tweede Fase uitgereikt. Voor deze afdeling gelden mutatis mutandis dezelfde regels met de hieronderstaande aanvullingen.
(regels 6.1 ; 6.5 ; 6,7; 6.8 ; 6.9; 6.12 )
6.13 Aan het begin van het examenjaar, doch uiterlijk voor 1 oktober wordt aan de leerlingen van de eindexamenklassen het programma van toetsing en afsluiting bekend gemaakt. Dit programma bevat regels over de wijze van toetsen van de kennis en vaardigheiden van deze leerlingen alsmede op welke wijze het cijfer van het schoolonderzoek wordt vastgesteld.
6.14 De opleidingsdirectie stelt een examenreglement vast. Dit reglement bevat regels over de wijze waarop het examen wordt afgenomen, de wijze waarop de cijfers worden gegeven, regels over verzuim bij examens, examenfraude, herexamen en over de mogelijkheden om tegen beslissingen betreffende het examen bezwaar te maken.
6. 15 De weging van de toetsen wordt in het PTA opgenomen
6.16 Een repetitie wordt opgenomen in het repetitierooster dat aan het begin van een periode aan de leerlingen wordt uitgereikt.
6.17 Een docent beoordeelt de toets zo spoedig mogelijk, de normale termijn voor dit soort toetsen is gesteld op 2 weken, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen.
6. 18 De leerling krijgt na elke periode een overzicht van zijn resultaten waarbij alleen het voortschrijdende gemiddelde wordt vermeld.
7 OVERGANG, KEUZE IN ONDERWIJS
7.1 De opleidingsdirectie stelt de criteria vast waaraan een leerling moet voldoen om naar het volgende leerjaar te kunnen overgaan.
Deze criteria worden aan het begin van het schooljaar bekend gemaakt.
In het algemeen gedeelte van het PTA wordt de bevorderingsregeling opgenomen.
7.2 De leerling kan zijn keuze voor een bepaalde richting van het onderwijs of voor een bepaalde samenstelling van zijn vakkenpakket kenbaar maken. Met deze voorkeur zal bij toelating tot een bepaalde richting of bij de toedeling van een bepaald vakkenpakket zoveel mogelijk rekening worden gehouden.
8 DISCIPLINAIRE MAATREGELEN
8.1 De leerling die de in de school geldende regels (vastgelegd in het Leerlingen Reglement) niet nakomt kan een disciplinaire maatregel worden opgelegd. Zo’n maatregel kan worden opgelegd door een personeelslid van de school.
Disciplinaire maatregelen kunnen zijn:
* maken van strafwerk
* uit de les verwijderd worden
* nablijven
* gemiste lessen inhalen
* opruimen van gemaakte rommel
* corvee-werkzaamheden uitvoeren
* uitsluiting van lessen
* geschorst worden
· definitief van de school verwijderd worden
8.2 Bij het opleggen van een maatregel moet er sprake zijn van een redelijke verhouding
tussen de ernst van de aanleiding tot opleggen ervan en de zwaarte van de maatregel.
8.3 Indien een leerling meent dat hem ten onrechte een maatregel door een docent is opgelegd, kan hij dit aan de locatiedirecteur ter beoordeling voorleggen.
8.4 Een leerling die de goede voortgang van de les verstoort is verplicht de les te verlaten zodra de docent hem dit opdraagt. Hij moet zich onmiddellijk melden bij de locatiedirecteur of diens vervanger.
8.5 Indien een leerling meent dat hem ten onrechte een maatregel door de locatiedirecteur is opgelegd, kan hij dit aan de opleidingsdirecteur ter beoordeling voorleggen.
8.6 Een leerling die bij herhaling de in de school geldende regels overtreedt of die zich schuldig maakt aan ernstig wangedrag, kan door of namens de opleidingsdirectie worden geschorst, of definitief van de school worden verwijderd.
Bij schorsing en verwijdering dient gehandeld te worden conform het reglement van de Interconfessionele Scholengemeenschap “Het Westland”. Dit reglement is in de vorm van een bijlage hierachter opgenomen.
8.7 Het schorsingsbesluit wordt schriftelijk aan de leerling, en indien hij minderjarig is ook aan zijn ouders, medegedeeld met opgave van redenen.
9. PRIVACY
(Zie ook het Reglement Privacy van de Lucas Stichting)
9.1 Leerlingenregistratie
9.1.1 Van alle leerlingen zijn door de school gegevens geregistreerd. Deze gegevens dienen correct te zijn. De betrokken leerling, en indien hij minderjarig is ook zijn ouders, kunnen deze gegevens inzien en indien nodig vragen deze te wijzigen of te verbeteren.
9.1.2 De gegevens van leerlingen zijn alleen toegankelijk voor personen die hiervoor van de opleidingsdirectie toestemming hebben gekregen, zoals de leden van de schoolleiding, de dekanen, de mentoren, de docenten van de betrokken leerling en de leden van de
administratie.
9.1.3 De gegevens worden alleen aan anderen dan in de punten 10.1.1 en 10.1.2 genoemde personen verstrekt indien dit in het belang van het onderwijs aan de betrokken leerling is, indien er een wettelijke plicht voor bestaat of met toestemming van de betrokken leerling, of indien deze minderjarig is van zijn ouders.
9.2 Ongewenste intimiteiten
(Zie ook de Algemene Klachtenregeling van de Lucas Stichting)
9.2.1 De opleidingsdirectie stelt een procedure vast, waarlangs ongewenste intimiteiten kunnen worden gemeld en waardoor er passend op ongewenste intimiteiten kan worden gereageerd.
Deze procedure wordt aan het begin van het schooljaar aan de leerlingen kenbaar gemaakt.
10 LEERLINGENRAAD
10.1 De leerlingen kunnen voor hun belangen opkomen door middel van de leerlingenraad.
Deze raad kan de schoolleiding adviseren en kan geraadpleegd worden door de schoolleiding over aangelegenheden die voor leerlingen van belang zijn.
10.2 De schoolleiding stelt een reglement vast over de taak en samenstelling van de leerlingenraad, over de verkiezing van de leden van de raad en over de wijze van overleg tussen de leerlingenraad en de schoolleiding en over de faciliteiten die de leerlingenraad bij de uitoefening van zijn taak ten dienste staan.
11.VRIJHEID VAN MENINGSUITING EN VRIJHEID VAN VERGADERING
11.1. Iedere leerling heeft de vrijheid zijn mening op school te uiten binnen de grenzen die de identiteit en de doelstellingen van de school daaraan stellen.
11.2. Leerlingen dienen elkaars mening en die van de anderen te respecteren. Uitingen die discriminerend of beledigend zijn, worden niet toegestaan. Indien er sprake is van discriminatie of belediging kan de schoolleiding passende maatregelen treffen.
11. 3 SCHOOLKRANT
11.3.1. De schoolleiding kan de publicatie van de schoolkrant of een deel daarvan verbieden indien de schoolkrant in strijd is met de identiteit of doelstelling van de school dan wel een discriminerende of beledigende inhoud bevat.
11.4 Aanplakborden
1.4.1 Indien er daartoe aangewezen aanplakborden in de school zijn kunnen leerlingen daarop zonder voorafgaande toestemming mededelingen die voor leerlingen van belang zijn ophangen, voorzover deze niet in strijd zijn met de identiteit of doelstelling van de school en voorzover deze niet discriminerend of beledigend van aard zijn.
11.5 Geschillen
11.5.1 Indien leerlingen, personeelsleden en aan de school verbonden organen menen dat het leerlingenstatuut onjuist of onzorgvuldig wordt toegepast, dienen zij het gerezen geschil op te lossen met de betrokken persoon/orgaan of personen/organen met wie het geschil is gerezen. Indien blijkt dat het onderling oplossen van het geschil redelijkerwijs niet is gelukt of redelijkerwijs niet heeft kunnen plaatsvinden kan het geschil worden voorgelegd aan de geschillencommissie.
Deze commissie beoordeelt het geschil en adviseert de opleidingsdirectie op welke wijze het geschil afgehandeld moet worden.
11.5.2 De geschillencommissie wordt gevormd door 2 leerlingen/ouders, 2 docenten en een voorzitter, die niet tot de leerlingen/ouders of docenten behoort.
De leden van deze commissie worden door de Opleidingsraad aangezocht.
11.5.3 Alleen bezwaren die schriftelijk zijn ingediend worden door de commissie in behandeling genomen. Bezwaren dienen gemotiveerd te zijn. Degene die het bezwaar aantekent en degene tegen wie het bezwaar is gericht worden door de commissie gehoord alvorens zij advies uitbrengt. De geschillencommissie adviseert de opleidingsdirectie binnen een maand nadat zij het bezwaar heeft ontvangen. De opleidingsdirectie reageert op dit advies binnen 2 weken nadat zij het advies
heeft ontvangen.
Bijlage Reglement ‘Schorsing en definitieve verwijdering’ (ISW-breed)
Begripsbepalingen
· “Uitsluiting van lessen” houdt in dat een leerling wel op school komt maar geen les(sen) mag volgen.
· Onder “schorsing” wordt verstaan dat een leerling geen lessen mag volgen en niet op school mag komen.In sommige gevallen is het mogelijk om een leerling gedurende 24 uur de toegang tot de school en de lessen te ontzeggen, onmiddellijk voorafgaande aan een gesprek met ouder(s) /verzorger(s) over een voorgenomen officiële schorsing van hun zoon/dochter. Deze 24 uur valt niet onder het begrip “schorsing”.
· “Verwijdering” betekent dat een leerling het ISW dient te verlaten.
Uitsluiting van de lessen
Een leerling, die uit de les wordt verwijderd, maar ook een leerling die één of meer lessen niet bij mag wonen, maar andere werkzaamheden moet verrichten, wordt in concreto van (een) les(sen) uitgesloten.
Dit gebeurt onder verantwoordelijkheid van de locatie-directie.
Bij uitsluiting voor meer dan één les wordt door de opleidingsdirectie contact opgenomen met ouder(s)/verzorger(s).
Schorsingen
A. Schorsing voor maximaal één dag.
Dit wordt door de locatiedirectie/adjunct na overleg met de opleidingsdirecteur afgehandeld. Daarbij dienen de volgende zaken in acht te worden genomen:
1. Ouders/verzorgers en leerling dienen schriftelijk op de hoogte te worden gesteld.
2. De redenen voor schorsing moeten worden aangegeven.
3. Leerling, respectievelijk ouders/verzorgers tekenen een kopie van de brief.
B. Schorsing voor meer dan één dag, maar minder dan vijf dagen.
Dit wordt door de opleidingsdirecteur, na overleg met de locatiedirectie/adjunct afgehandeld. Daarbij dienen de volgende zaken in acht te worden genomen:
1. (Ouders/verzorgers en) leerling dienen schriftelijk op de hoogte te worden gesteld.
2. De redenen voor schorsing moeten worden aangegeven.
3. Leerling respectievelijk ouders/verzorgers tekenen een kopie van de brief.
4. De centrale directie wordt schriftelijk en met opgaaf van redenen in kennis gesteld.
5. De inspectie wordt schriftelijk en met opgaaf van redenen in kennis gesteld.
C. Schorsing voor één week
Dit wordt door de opleidingsdirecteur in overleg met centrale directie afgehandeld. Daarbij dienen de volgende zaken in acht te worden genomen:
1. Schorsing voor één week kan niet plaatsvinden zonder overleg en instemming van de centrale directie.
2. Ouders/verzorgers en leerling dienen schriftelijk op de hoogte te worden gesteld.
3. De redenen voor schorsing moeten worden aangegeven.
4. Leerling respectievelijk ouders/verzorgers tekenen een kopie van de brief.
5. De inspectie wordt schriftelijk en met opgaaf van redenen in kennis gesteld.
D. Definitieve verwijdering
Definitieve verwijdering gebeurt uitsluitend door de centrale directie in overleg met de opleidingsdirecteur c.q. directie.
Daarbij dienen de volgende zaken in acht te worden genomen.
1. De redenen voor definitieve verwijdering moeten worden aangegeven.
2. Bij leerplichtige leerlingen wordt de leerplicht-ambtenaar ingeschakeld.
3. Conform artikel 27 van de WVO wordt voor leerplichtige leerlingen gezocht naar een andere school.
4. Na overleg met de inspectie kan pas tot definitieve verwijdering worden overgegaan.
5. Ouders/verzorgers en leerling dienen in een aangetekend schrijven schriftelijk op de hoogte te worden gesteld.
6. Leerling respectievelijk ouders/verzorgers tekenen een kopie van de brief.
7. De inspectie wordt schriftelijk en met opgaaf van redenen in kennis gesteld.
8. De officiële regeling inclusief beroepsmogelijkheden wordt aan de ouders/verzorgers meegedeeld.
9. In de directieraad wordt de definitieve verwijdering gemeld.